menu
Het waagstuk van de seculiere instituten
Alle christenen zijn tot heiligheid geroepen; ze zijn allen op grond van het doopsel en de overige sacramenten, op grond van hun geloofsleven, „godgewijde personen” – dit heeft het Tweede Vaticaans Concilie nadrukkelijk uitgesproken. Heiligheid is niets anders dan de volmaaktheid van de belangeloze christelijke liefde, die in dit leven bereikbaar is: als dankbaar antwoord op de oneindige liefde van God die ons geschonken is in Christus – aan ons als afzonderlijke personen, als kerkelijke gemeenschap, tenslotte als mensheid, wier zondenlast Christus aan het kruis gedragen heeft. Deze belangeloze liefde als antwoord op de goddelijke liefde beleeft de christen in vreugde, maar ook in harde zelfverloochening, in de door Christus gevraagde dagelijkse navolging, die een dagelijks „dragen van het kruis” (Lc 9, 23) is. Vanuit het perspectief dat openging in het paasmysterie, zal Paulus het radicalisme van de eis van Jezus tot navolging consequent uitleggen als een – sacramenteel en existentieel – meegekruisigd zijn, zelfs een streven met Hem, uitmondend in een radicaal nieuw leven, een „nieuwe schepping”, door een anticiperende deelneming aan Zijn verrijzenis.
Dat er binnen deze algemene eis van het evangelie een „uitverkiezing” bestaat van afzonderlijke personen, die van Christus zelf uitgaat, en als inhoud heeft een nauwere levens-, zendings- en werkgemeenschap met Hem, is een gegeven binnen het evangelie zelf dat men niet kan verwaarlozen, of wegredeneren als een menselijke interpretatie achteraf. Het verlaten van alles – bezit, verwanten, zelfs vrouw en kinderen (Lc 18,29v.) – dat bij de keuze van de twaalf zo nadrukkelijk onderstreept wordt, en dat ongetwijfeld op de eerste plaats letterlijk begrepen en vandaaruit als geestelijke houding tot alle christenen wordt uitgebreid, is onbetwistbaar: het ligt immers besloten in de onverdeelde, van elke binding vrije bereidheid tot dienst aan het evangelie, tezamen met de dienende Christus, die zijn huis verliet en nu niets meer heeft waarop Hij zijn hoofd kan neerleggen. In deze bijzondere uitverkiezing ligt duidelijk in eenheid besloten wat latere theologie in de drie evangelische raden uiteengelegd heeft: armoede (als effectieve afstand van bezit), waarin ook het ongehuwd-zijn ingesloten is (nog eens apart onderstreept in Mt 19,10-12: „wie het begrijpen kan…”), beide in een onmiddellijke gehoorzaamheid aan de concrete aanwijzingen van Christus (bijvoorbeeld uitzending om te prediken met gedetailleerde bepalingen voor de uitvoering, Mt 10, en afleggen van verantwoording, Mc 6,30).
Deze bijzondere dienst aan het evangelie kan niet alleen bedoeld zijn voor de eerste generatie van leerlingen; de uitverkiezing voor deze dienst gaat ook vooraf aan de „wijding” van de leerlingen tot priester, die eerst in samenhang met het lijden van Christus een feit wordt (instelling van de Eucharistie aan de vooravond van het lijden, instelling van de biecht op de paasdag: Joh 20,21v.); zodat deze uitverkiezing later even goed kan uitgaan naar leken als naar „clerici”. Verder is er in de evangeliën niets te vinden van de levensvorm, die deze bijzondere dienst van de vierde eeuw af als „monnikendom” (en in een latere ontwikkeling als „kloosterlijke staat”) heeft aangenomen; maar deze vorm met zijn „uittocht uit de wereld” naar de woestijn, met klooster(muren) en „kloosterslot” kan een volkomen wettige bijzondere vorm zijn van de evangelische dienst, hetzij in een leven van navolging overwegend in contemplatie en in de daaraan beantwoordende existentiële beschikbaarheid voor navolging in de meer verborgen geheimen van het lijden (bijvoorbeeld de Carmel), hetzij als een soort zichtbaar uitstralend model van kerkelijke gemeenschap (Benedictus), of tenslotte als uitgangspunt voor apostolische werkzaamheid in de geest van de navolging (Ignatius van Loyola).
Het is kenmerkend, dat stichterfiguren als Franciscus en Ignatius in eerste instantie in het geheel niet dachten aan de bijzondere vorm van het kloosterlijke leven, die zich vanuit het monnikenwezen ontwikkeld had, maar – in nauwere aansluiting bij de evangelische oorsprong – aan een radicale vorm van navolging in dienst van de verkondiging van het evangelie in de wereld. Beide bewegingen hebben eerst achteraf, door de drang der omstandigheden, de vorm van een orde aangenomen. Zowel door Franciscus als door Ignatius is eerst de hele paradox van het evangelie, scherp als een zwaard, heengegaan, die ook het bestaan van Paulus gevormd heeft: geheel “in de wereld” (Joh 17,11), maar evenzeer helemaal “niet van de wereld” (Joh 17,14). Het verlangen om deze evangelische paradox naar beide zijden onverminderd te beleven is – na telkens nieuwe pogingen: Angela Merici, Mary Ward, in de Franse revolutie P. de Clorivière – in onze eeuw uitgegroeid tot een breed verspreide vorm van christelijke existentie in de Kerk, en wel uitdrukkelijk zowel voor leken als voor (seculiere) priesters. In de apostolische constitutie “Provida Mater” heeft Pius XII in 1947 deze levensvorm goedgekeurd en hem zijn kerkelijk statuut gegeven.
Men ziet onmiddellijk, dat in de hier gewaagde overbrugging iets bijzonder stoutmoedigs, bijna vermetels ligt; velen lijkt deze levensvorm zelfs zoiets als een houten ijzer. De leden van deze gemeenschappen hebben zich ertegen verzet, als verkapte kloosterlingen beschouwd te worden: ze zijn lekenWil men per se de Kerk in „standen” indelen, dan behoren de leden der seculiere instituten met de religieuzen en congregaties, enz. tot de „stand der evangelische raden”, wat hun echter niet belet sociologisch (en waarom ook niet theologisch) leken te zijn, daar iedere leek het recht heeft private geloften af te leggen en zich aan te sluiten bij een gemeenschap. Maar de scheiding van de leken van priesters en religieuzen is bovendien theologisch problematisch, vgl. mijn artikel „Gibt es Laien in der Kirche?”, in: Internationale Katholische Zeitschrift Communio (8) 1979, p. 97-105. of diocesane priesters, en toch verbinden zij zich (zoals monniken en kloosterlingen) eerst tijdelijk, dan levenslang tegenover hun gemeenschap door een belofte (hoe die dan ook genoemd wordt: „overgave” of „belofte” of „eed” of „gelofte”) tot de drievoudige „raad” van een materieel arm, ongehuwd en gehoorzaam bestaan, zoals monniken en kloosterlingen dat doen. Ziet men terug naar het evangelie, dan houdt de paradox helemaal geen tegenspraak in, maar is alleen de scherpe toespitsing van datgene wat Jezus van al zijn leerlingen verlangt: radicaal „uitgaan” uit de wereld, om alles op zijn kaart te zetten, en dit om des te radicaler met de boodschap uit de hemel „in” de wereld gezonden te worden: „gaat uit over de hele wereld” (Mt 28 slot).
In het kort enkele kenmerken van deze seculiere instituten. Vooreerst zijn ze, wat enige verwondering zou kunnen wekken, werkelijke gemeenschappen en niet enkel een losse aaneensluiting van individuele personen. Dat lijkt – om vooraf over hen te spreken – voor de seculiere instituten van priesters heel in het bijzonder van betekenis te zijn in deze tijd, nu diocesane priesters, na hun (in menig land en diocees zeer problematische) vorming in een moeilijk te verdragen eenzaamheid terecht-komen – de oude „pastorie” bestaat immers nog maar sporadisch – en het er zwaar mee hebben te werken in een gedeeltelijk onchristelijk geworden wereld, en bij hun medebroeders, evenzeer overbelast als zijzelf, een houvast te vinden. De seculiere instituten van priesters hebben ondanks hun grote verscheidenheid duidelijk dit gemeenschappelijk kenmerk, dat zij hun leden op grond van hun soliede spiritualiteit en van de geborgenheid der individuele personen in een gemeenschap van gelijkgezinden een steun bieden, die anders nog alleen in religieuze gemeenschappen gevonden kan worden, en die zelfs, wegens de crisis in veel grote en kleine orden, in deze seculiere instituten dikwijls zekerder gevonden wordt dan in die religieuze gemeenschappen. Als men de zeer zegenrijke werkzaamheid van de meeste seculiere instituten van priesters in deze tijd beschouwt, dan wegen deze positieve aspecten zwaarder dan eventueel opkomende twijfels, of het begrip seculier instituut niet op de eerste plaats past voor leken, en men het bijgevolg alleen maar op een min of meer analoge wijze voor priesters kan gebruiken. Maar ook een terugblik op de eerste leerlingen of op de tentenmaker Paulus, die met zijn wereldlijk ambachtswerk zijn eigen levensonderhoud wilde verdienen, kan zulke bezwaren weerleggen.
Bij de leken zal op de eerste plaats opvallen, dat ieder van hen in zijn eigen beroep werkt – als dokter of jurist, als ziekenverpleegster of maatschappelijk werkster, als architect of journalist, enzovoorts – in de meeste gevallen in een milieu van anders- of ongelovigen. Eigen gemeenschappelijke werken als scholen, hospitalen, zoals religieuze congregaties die verzorgen, zijn er bij seculiere instituten niet of slechts bij hoge uitzondering. Gewoonlijk werken de leden op plaatsen, waar priesters nauwelijks of helemaal niet kunnen komen. De geestelijke kwetsbaarheid van hun situatie vraagt als tegenwicht een zorgvuldige godsdienstige vorming (die vanzelfsprekend met de beroepsvorming gelijk op kan gaan), maar niet minder een blijvende steun in de gemeenschap, haar geest en haar concrete gestalte, die verschillend kan zijn: gezamenlijk wonen en kunnen bidden in kleine groepen, regelmatige ontmoetingen voor ontspanning, uitwisseling, geestelijke oefeningen, enzovoorts. Een grondwet van kerkelijk leven wordt hier zichtbaar: hoe meer een christelijke zending de mens eenzaam blootstelt, des te meer is het onontbeerlijk, dat de grote kerkelijke gemeenschap zich voor hem in een omschreven gemeenschap concretiseert. Niet alleen omdat in de groep de evangelische armoede duidelijke vormen zal aannemen (dat zou eventueel ook in het individuele bestaan nog mogelijk zijn), ook niet alleen omdat het ongehuwd-zijn het opgevangen worden in een gemeenschap nodig heeft (al zal men inderdaad in het algemeen de gelofte van maagdelijkheid in een geïsoleerd bestaan moeten afraden), maar vooral omdat de kerkelijke gehoorzaamheid en daarmee de zending alleen beleefd kan worden in een gemeenschap, waar iemand macht heeft om te bevelen. Dit kan, zoals het in sommige gemeenschappen het geval is, de bisschop zijn; maar deze zal slechts zelden de tijd hebben om het leven van elk lid in details te volgen; hij zal daarvoor iemand delegeren, die normaal geen lid is van de gemeenschap. In de meeste instituten is de leiding opgedragen aan een lid van de gemeenschap, dat voor belangrijke beslissingen een raad of de hele gemeenschap zal consulteren en, overeenkomstig de statuten, deze functie voor kortere of langere tijd bekleedt.
Wat in deze levensvorm het meest de aandacht trekt is niet zozeer het ongehuwd-zijn (dat ook voorkomt uit niet-religieuze gronden en daarom niet opvalt als een getuigenis voor een meer nabij volgen van Christus), noch ook de armoede, die veel christenen om de meest uiteenlopende sociale en theologische redenen dikwijls nog radicaler in praktijk brengen; maar op de eerste plaats het feit dat het wereldlijk beroep innerlijk bepaald wordt door een theologisch begrepen gehoorzaamheid. Deze verandert het medemenselijk handelen in het wereldlijk vlak, de maatschappelijke „rol”, door de bemiddeling der Kerk in een onmiddellijke opdracht van Christus, in een zending, die op deze wereldlijke plaats, in deze kwaliteit en duur opgenomen wordt zoals de gehoorzaamheid het bepaalt. Dat hier bijzondere problemen en spanningen ontstaan van wereldlijke verantwoordelijkheid en evangelische gehoorzaamheid, is een secundaire vraag, waarover aanstonds nog gesproken moet worden; vooreerst moet de hier tot stand gekomen „incarnatie” van de bovennatuurlijke zending (door de bemiddeling der Kerk) in de structuren van deze wereld als iets nieuws erkend worden. Het beleven van de zending in de seculiere instituten heeft niets meer gemeen met de wereldvlucht, die minstens uiterlijk begon met het oude monnikenleven – ook al werd dan, dieper gezien, deze „vlucht” van het begin af aan (Origenes, Antonius van Egypte) beleefd als een strijdende hulp aan de Kerk. De drievoudige evangelische raad wijst ongetwijfeld degenen die hem volgen hun plaats aan onder het kruis, maar het kruis is het absolute tegendeel van vlucht uit de wereld. Daarom staan ook de slechts schijnbaar negatieve houdingen van armoede en ongehuwd-zijn ver af van een ascese die bezit en huwelijk vlucht (zoals b.v. in het monnikenwezen van het Verre Oosten): in de christelijke inspiratie is armoede een „mede arm worden” met Christus „om velen rijk te maken” (2 Kor 6,10); ongehuwd blijven is navolging van Jezus en Maria terwille van een grotere (eucharistische) vruchtbaarheid voor het rijk Gods.
Als dit in beginsel ingezien is, dan kan men toegeven, dat het leven in de seculiere instituten werkelijk een blootgesteld leven is, een leven in een uiterst bedreigd evenwicht, dat in zijn radicaliteit, in de moeilijkheid om het op de duur vol te houden, niet voor iedereen is weggelegd en vermoedelijk, in het geheel gezien, meer vraagt dan een leven achter kloostermuren, hoe inspannend dit ook in de lengte der jaren zijn kan. Het „niet van deze wereld” zijn moet even radicaal beleefd worden als het midden „in deze wereld” zijn, wat niet in stand gehouden kan worden enkel door beschermende regels, maar alleen volgehouden kan worden vanuit een blijvende vernieuwing van de geest, in levend gebed, met echte contemplatie, in de geest van bewuste zelfverloochening. Een seculier instituut kan veel minder dan andere sterker geïnstitutionaliseerde gemeenschappen een verlies aan inwendige geest overleven. Deze levende geest moet tegelijkertijd gevoed worden van binnen uit, vanuit het levend centrum van de gemeenschap, en van buiten, vanuit het dagelijks ervaren van de noden en behoeften van de wereld waarin men werkt. Alleen vanuit die evangelische geest kunnen de spanningen gedragen worden die aan deze levensvorm inherent zijn, in het bijzonder de spanning tussen de onverminderde kerkelijke gehoorzaamheid (en de daaraan beantwoordende openheid, beschikbaarheid, rekenschap van geweten) en de in gehoorzaamheid opgenomen eigen verantwoordelijkheid in het wereldlijk beroepHoezeer zo’n spanning ook tot het kloosterleven behoort, kan men duidelijk zien in de brieven en instructies van de H. Ignatius aan zijn jezuïeten; bij opdrachten, waarvan de Generaal de details niet of nog niet kan overzien, geeft hij hun de aanwijzing op eigen verantwoordelijkheid beslissingen te nemen in de geest der gehoorzaamheid (en van de regel)..
Omdat het in de seculiere instituten zo primair gaat om de geest, is het begrijpelijk, dat in de verschillende instituten zeer verschillende accenten mogelijk en te verwachten zijn, met name wat de opvatting van de armoede en de gehoorzaamheid betreft; wat het christelijk ongehuwd-zijn terwille van het evangelie aangaat, dit is ook in de vorm van zijn beleving eenzinnig. In verband met de armoede kan de vraag gesteld worden, of het „wereldlijk” karakter van de seculiere instituten meebrengt, dat elk lid zijn inkomen en vermogen zelf beheert (vanzelfsprekend in een nader te bepalen geest en met verplichte bijdragen aan de gemeenschap) dan wel of het vanuit het kerkelijk karakter der gemeenschap voor de hand ligt, dat alles wat in de gemeenschap meegebracht of later verworven is aan de gemeenschap behoort, die dan aan elk lid toebedeelt wat het binnen de stand van zijn beroep nodig heeft. Het gevaar van de eerste regeling is, dat sommige leden zich dingen zouden kunnen „veroorloven” (bijvoorbeeld vakanties) die voor anderen niet mogelijk zijn; de nadelen van de tweede liggen in de ophoping van bezit bij de gemeenschap, wat afzonderlijke personen het gevoel zou kunnen geven, dat „men” zich dit of dat, wat misschien overbodig is en de armoede in het gedrang brengt, wel kan „veroorloven”. Dit kan alleen voorkomen worden door een strikte regel, dat de gemeenschap alles, wat niet absoluut voor het leven nodig is, periodiek aan noodlijdende personen of landen of aan werken van hulpverlening geeft. Van de spanningen die verwerkt moeten worden op het gebied van de gehoorzaamheid was al sprake. Het zou een gevaarlijke naïviteit zijn, als men het wereldlijk arbeidsterrein der leden zonder meer buiten het gebied der gehoorzaamheid zou laten en het geheel overlaten aan hun persoonlijke verantwoordelijkheid; van de andere kant kan de zaakkundigheid van een overste zich niet uitstrekken tot elk detail van de professionele werkkring der afzonderlijke leden. Hier moeten middenwegen gevonden worden, die van de ene kant de echte beschikbaarheid van de leden tegenover de gemeenschap garanderen, van de andere kant elk willekeurig ingrijpen van die gemeenschap in het werkterrein der individuele leden uitsluiten. Zulke oplossingen kunnen niet alleen gevonden worden voor het individuele geval, maar kunnen ook in belangrijke mate in algemene richtlijnen geformuleerd worden. De in de seculiere instituten nagestreefde synthese zou ook in het gedrang komen wanneer men enerzijds, onder het voorwendsel van het afleggen van bijzondere “geloften”, de leden van de lekenstand zou laten scheiden, maar tegelijk geheel van geloften afziet, omdat de “wijding” immers reeds impliciet in de doop gegeven zou zijn; en wanneer men anderzijds in de gekozen levensvorm zich overmatig richt naar wat in orden en congregaties gebruikelijk is (zelfs tot en met een bijzondere dracht, die misschien alleen binnen het huis van de gemeenschap wordt gedragen). Het eerste uiterste zal waarschijnlijk leiden tot een innerlijke zelfontbinding van de gemeenschap – des te sneller wanneer zij afziet van een geordende gehoorzaamheid en beslissingen uitsluitend nog neemt via algemene discussies en meerderheidsbesluiten. Het tweede uiterste heeft meer kans om te overleven, maar zou in een vervolgingssituatie op vergelijkbare wijze kwetsbaar zijn als de orden.
Maken de seculiere instituten in het leven van de Kerk in onze tijd hun waarde zichtbaar, vormen zij een kans voor de toekomst van de Kerk? Op deze vraag kan geen globaal antwoord gegeven worden, alleen al daarom niet, omdat deze gemeenschappen uit hun aard aangewezen zijn op grote discretie (die niet hetzelfde hoeft te zijn als geheimdoenerij); daar de afzonderlijke leden hun werk in hun milieu alleen op deze voorwaarde kunnen verrichten, dat ze daar niet gebrandmerkt worden als “verkapte kloosterlingen” of “spionnen van de Kerk”. We stellen hier vooral de vraag met betrekking tot de toekomst van de seculiere instituten van leken, omdat over het grote, zelfs onmisbare nut van de seculiere instituten van priesters in de tegenwoordige situatie van de Kerk al voldoende gezegd is. Men hoort soms pessimistische oordelen over de uitstralingskracht van de lekengemeenschappen. Daarbij moeten echter drie aantekeningen gemaakt worden. Vooreerst, dat hun in stilte verrichte arbeid, zoals juist al gezegd werd, niet in statistieken uitgedrukt kan worden. Vervolgens, dat in de talrijke landen, waar de Kerk met al haar openlijk bekende instellingen zoals orden en congregaties blootgesteld is aan vervolging door de staat, en deze bekende gemeenschappen, als ze nog geduld worden, in reservaten worden opgesloten (zoals tehuizen voor bejaarden, voor zwakzinnigen, en dergelijke), zodat hun elke verder reikende arbeid onmogelijk is, dat daar alleen nog de seculiere instituten – in de meeste gevallen alleen met het in acht nemen van de uiterste discretie – een zeker apostolaat, zoals het aan de stand der evangelische raden eigen is, kunnen garanderen. Daarvan zijn er ontroerende voorbeelden. Het derde, dat in dit verband te zeggen is, is misschien wel het belangrijkste. In verschillende landen bestaan er grote “bewegingen” binnen de Kerk, die veel mensen, met name jongeren, om zich heen verenigen en als “Kerk van onderen” (zonder ressentiment tegen de hiërarchie) een van de grootste factoren van hoop zijn voor de toekomst van de Kerk. Het behoort tot het wezen van deze bewegingen, dat ze op de eerste plaats leven uit de Heilige Geest, uit de vrijwillige inzet en de spontaneïteit van degenen die eraan meewerken (dikwijls is er niet eens een eigenlijk “lidmaatschap”). Maar het blijkt dat deze grote bewegingen op de duur niet kunnen standhouden zonder een radicaal geëngageerde en dienovereenkomstig ook geïnstitutionaliseerde kern, die dan ook als vanzelf het karakter van een seculier instituut zal aannemen. Of deze kernen zich officieel en uitdrukkelijk als seculier instituut uitgeven en als zodanig geregistreerd worden, zou als een secundaire vraag beschouwd kunnen worden. Ofschoon dit door Pius XII in een afzonderlijk schrijven uitdrukkelijk gewenst werd, heeft de kerkelijke praxis zich sedertdien toch misschien enigszins verschoven. De centra van zulke bewegingen, die zakelijk opgebouwd zijn naar het voorbeeld der seculiere instituten, kunnen redenen hebben om zich niet als zodanig te willen uitgeven, om de eenheid met de tallozen, die mee in de beweging geëngageerd zijn, niet in gevaar te brengen. Van de andere kant is het begrijpelijk, dat de Kerk over deze kernen, die in de evangelische raden leven, een zekere controle moet en wil behouden. Als zij een echte kerkelijke gezindheid hebben, zouden er wegen gevonden moeten kunnen worden om organisatie met de nodige vrijheid van beweging te verbinden.
De seculiere instituten zijn tegenwoordig een zeer actuele vorm van levende kerkelijke existentie, en ze zijn een voorbeeld van wat het Concilie bedoelde met „opening naar de wereld”. Zij zijn zich echter bewust een vorm van kerkelijk leven te zijn naast andere. Zij willen en kunnen niet de contemplatieve en actieve orden en congregaties vervangen, noch de stand der ongehuwde leken in zich absorberen. Hier kan daarom, als besluit, een zeer moeilijke vraag gesteld worden: heeft de bepaalde vorm van het leven volgens de raden, die ze willen verwerkelijken, niet bepaalde innerlijke grenzen, die zich op grond van het eigen karakter der raden aan de leden opdringen, ondanks hun volledig engagement in de „wereldlijke wereld”? Zulke grenzen zouden bijvoorbeeld daar zichtbaar kunnen worden, waar de conflictzone ligt tussen evangelische armoede (en de andere „zaligheden” van de Bergrede) en de uitoefening van wereldlijke macht. Moet men om elke prijs naar de meest invloedrijke posten en machtsposities streven, met de motivering, vandaaruit met meer invloed te kunnen werken voor het Rijk Gods? Of zal dat niet bijna noodzakelijk een vals licht werpen op de gemeenschap waartoe men behoort en ze in verdenking brengen een soort christelijke vrijmetselarij te zijn? Moet men streven naar posten waarin het gaat over het beheer van zeer veel geld, en van waaruit men bijgevolg zeer belangrijke maatschappelijke activiteiten op gang kan brengen? Zulke vragen zijn geenszins gemakkelijk te beantwoorden, omdat seculiere instituten nu eenmaal ernstig betrokken zijn in de wereldlijke structuren, en er op dit gebied onmerkbare overgangen bestaan van een engere naar een meer omvattende invloedssfeer, en omdat de christenen meer dan ooit opgeroepen zijn om mee te helpen aan de oplossing van de planetaire problemen van het menselijk bestaan. En altijd weer ziet men christelijke persoonlijkheden opkomen, die in staat blijken op een geloofwaardige wijze uiterst verantwoordelijke politieke en economische posten met een volkomen zuivere christelijke gezindheid te bekleden. De vraag is daarom alleen, of zulke persoonlijkheden niet beter op zichzelf staande leken in de Kerk zouden moeten zijn – natuurlijk gedragen en gesteund door een brede kerkelijke gemeenschap – dan leden van seculiere instituten, waaraan ze in gehoorzaamheid gebonden zijn, wat minstens voor buitenstaanders deze gemeenschappen in diskrediet zou kunnen brengen. Er is zoveel werk te doen in het innerlijk weefsel van de menselijke samenleving, dat in bescheidenheid en betrouwbaarheid te doen is, werk, waarbij misschien meer onmiddellijk de geest der „zaligheden” oplicht, zoals mensen die leven volgens de evangelische raden die moeten verspreiden. Wij leven in een wereld, waarin het Rijk Gods niet zichtbaar en organisatorisch gevestigd kan worden, waarin de Kerk altijd blijven zal een Kerk die strijdt tegen wereldse overmacht, en misschien altijd harder zal moeten strijden met het merkteken van het martelaarschap.
Hans Urs von Balthasar
Titolo originale
Das Wagnis der Säkularinstitute
Ottieni
Temi
Dati
Lingua:
Olandese
Lingua originale:
TedescoCasa editrice:
Saint John PublicationsTraduzione:
M. van den BerckenAnno:
2026Tipo:
Articolo
Fonte:
Internat. kath. Tijdschrift Communio 6 (1981): 195–204.
Altre lingue
Testi correlati