menú
De Kerk als Mysterie
Adrienne von Speyr
Título original
Die Kirche als Mysterium
Obtener
Temas
Ficha técnica
Idioma:
Holandés
Idioma original:
AlemánEditorial:
Saint John PublicationsTraductor:
Hansi NijenhuisAño:
2026Tipo:
Artículo
Fuente:
‘Die Kirche als Mysterium’. Schweiz. Rundschau 52, 11–12 (februari–maart 1953): 613–16.
Wanneer iemand serieus begint te geloven, dan weet hij dat de liefde het grootste is – Paulus heeft het indringend genoeg gezegd – dat de liefde een bestanddeel van zijn geloof moet zijn, dat hij zijn geloof op geen enkele andere manier kan vergroten en verdiepen dan door lief te hebben. Zijn eerste pogingen zullen aarzelend en teleurstellend zijn, want hoewel hij een begrip van liefde heeft, heeft hij er geen ervaring mee. Hij begrijpt dat hij mag liefhebben, omdat God hem eerst heeft liefgehad, niet alleen God die in de hemel is, maar ook God die mens geworden is uit liefde voor hem, en omdat veel mensen uit liefde voor de Zoon en voor de drie-enige God zijn navolging daarin zijn aangegaan. Maar de hele kringloop van de liefde blijft voor hem iets bijna theoretisch, iets dat op zichzelf staat buiten de reële menselijke levensloop. Hij hoort erover, het klinkt als een vermaning, maar de betekenis ervan is niet helemaal duidelijk. De mens probeert lief te hebben, hij stelt daden van liefde, maar in de praktijk storten ze in. Het ontbreekt hen aan duurzaamheid. Ze lijken afhankelijk van een opwelling, een moment. En omdat hij zich realiseert dat hij nooit en te nimmer het vermogen zal hebben om op de juiste manier lief te hebben, bidt hij om de gave van liefde. Hij smeekt erom bij God, bij de Moeder van de Heer en de Heiligen. En hij begint de mysteries van de liefde te overwegen. Hij ziet bijvoorbeeld hoe een kleine Theresia de meest alledaagse taken vervulde binnen de wil om lief te hebben, kleine dingen deed voor haar naaste, kleine offers bracht aan de Heer uit liefde, in de overtuiging dat God ze zou aannemen, vervolmaken en gebruiken daar waar Hij ze nodig had, om er een hogere waarde aan te geven, die voor haar onzichtbaar zou blijven, maar die in het onzichtbare, mysterievolle rijk zijn uitwerking zou hebben. De gelovige overweegt vooral het leven van de Heer en ziet hoe dit hele leven uit liefde bestaat: liefde voor de Vader en de Geest, voor het werk van de Vader, voor de mensen. Elk woord, elke daad is een uitdrukking van liefde. En op een gegeven moment beseft de mens wat wezenlijk is. Hij begrijpt dat hij alleen kan liefhebben door te beginnen bij het punt waarop God Zelf zijn liefde heeft getoond. God heeft niet alleen liefde in de kleine dagelijkse dingen en in het mysterie van de verborgenheid van zijn drie-ene leven beoefend, maar God heeft ook zijn liefde aan de mensen gegeven in de Kerk. In haar ware essentie is de Kerk niets anders dan de uitdrukking van liefde van de Zoon voor de mensen. En zo gaat de liefde van kruis tot kruis. Vanaf het kruis, omdat de Heer van daaruit de oorspronkelijke oercel van de Kerk vrijmaakt, zijn Moeder en Johannes: Johannes wordt verrijkt met de gave van de Moeder van de Heer, de Moeder wordt toevertrouwd aan de apostel van de liefde. De wet van deze gemeenschap, van haar stichting en haar leven, heeft niets met de wet van de natuur te maken en zou onbegrijpelijk moeten blijven als niet daarachter, voor een ogenblik opgelicht, het diepste geheim van de kerkelijke liefde zou doorschemeren. Een Kerk die iedere gelovige opneemt om van hem een beminnend mens te maken met relaties van liefde. Opgenomen worden en het mogen leven in de Kerk worden omgeven door zowel mysteries van de Heer als mysteries van de Kerk. Als iemand zichzelf zou onderzoeken om te zien of zijn geloof, zijn christelijk leven en zijn deelname aan de sacramenten hem het recht zouden geven om deel te nemen aan de kringloop van kerkelijke liefde, dan zou hij nee moeten zeggen; hij zou des te meer nee moeten zeggen als het ging om de vraag of zijn lidmaatschap van de Kerk de schat aan liefde in de Kerk vermeerdert. In het beste geval zou hij het gevoel hebben dat hij verspilt wat hem wordt aangeboden. En zo wordt de liefde in de Kerk ook een mysterie voor het individu dat er deel van uitmaakt, waar hij zich veilig weet in dit leven van liefde zonder het ook maar enigszins te begrijpen.
God heeft de mensen zozeer liefgehad dat zijn liefde volstaat, zijn liefde heeft de macht om de daden van mensen om te vormen; zijn schat van liefde gaat zo ver boven alle maat, dat hij nooit zal opraken, ja, dat hij zelfs op ieder is aangewezen om zich te kunnen verkwisten in de onmetelijkheid van de Zoon van God, om zichzelf aan de mensen weg te schenken.
Dit allerhoogste mysterie van de liefde, dat niemand ooit helemaal zal doorgronden, raakt en bepaalt het hele leven in de Kerk. Het verheft het kerkelijk ambt, het vult de sacramenten, het bewerkt een actieve kracht van liefde in elk gebed, in elk offer, in elke christelijke gedachte. Het verenigt ook mensen, maakt hen, precies zoals ze zijn – en het idee alleen al zou lachwekkend zijn als ze zich niet bewust waren van dit mysterie – tot een gemeenschap van heiligen. Niet op zo’n manier dat de zondaar ergens staat en dat hij, als heilige, tegelijkertijd ergens anders staat. Maar de liefde leeft in hem door de kracht van God en van de geliefden in de Kerk, en door de kracht van het mysterie dat zich zo meedeelt en zo verspreidt dat er voortdurend een eenheid ontstaat tussen de heilige die hij moet zijn en de zondaar die hij nog steeds is. Dit mysterie van transformatie is een mysterie intra muros; de ruimte van de Kerk is net breed genoeg om het te bevatten, net breed genoeg om de liefde van de Heer in haar levend te houden. Deze liefde kan niet koud en zwak worden. Evenmin is er sprake van onechte liefde. Ze is en leeft en blijft. En men kan ze voelen in de daden van de kerk zelf; daar waar Petrus staat en zijn ambt vervult, kan men ze herkennen als een misschien definieerbare liefde. We kunnen erover spreken, er uitdrukking aan geven, de uitwerkingen ervan vaststellen. Maar ze leeft ook daar waar Petrus een stapje terug doet en Johannes voor laat gaan, waar de liefde voor de Heer bijna het karakter van vriendschap krijgt, waar de officiële bediening uit het zicht verdwijnt en alleen vertrouwen, geloof en hoop in de schijnwerpers blijven staan. Ze leeft in het sacrament van de biecht, in het sacrament van de eucharistie, maar ook in de sacramenten die doorheen een heel leven werken: in het huwelijk, in de wijding; en ook daar waar de mens zich van het aardse scheidt om voor Gods oordeel te verschijnen.
Als men zou proberen de liefde van de Kerk te meten met een maatstaf die voor alle mensen toegankelijk is, die iets voor hen betekent, dan zou men nooit het doel bereiken; want de ene liefde van God in zijn Kerk verspreidt zich zo alomtegenwoordig en door alle kieren en spleten heen, dat ze in geen enkele vorm of concept kan worden uitgedrukt, geen enkele weegschaal heeft de schaal die nodig is om haar te wegen. Als we ons al diegenen voorstellen die bidden, die de Heer zoeken en Hem belagen met hun persoonlijke en vaak zo dwaze verzoeken, of die proberen het gebed van de kerk uit te spreken en woorden herhalen die duizenden en nog eens duizenden mensen vóór hen hebben gebruikt en er een geloofwaardige inhoud aan geven, of die eenvoudigweg bidden om dichtbij te zijn, om de Heer te vergezellen in een voortdurende bereidheid die niets wil voorschrijven: dan zou je elke keer tot het besef moeten komen dat elk leven en elke gedachte, elke vonk van geest en elke vorm van liefde wordt beschermd binnen het allesomvattende mysterie van de kerkelijke liefde. Je kunt tot op zekere hoogte de weg volgen die iemand gaat om zich aan dit omhelzende mysterie over te geven; maar dan komt het moment dat alles oplost in het mysterie dat altijd een mysterie blijft. In dezelfde mate waarin de Heer zichzelf en zijn Kerk heeft geopenbaard, heeft hij tegelijkertijd – opdat wij niet zouden terugdeinzen voor de afgronden van de werkelijkheid en voor de grootsheid van de liefde – het mysterie achtergehouden, dat vervuld is van het goddelijk leven en volmaakte werkzaamheid; het is bewaard voor de openbaring in het eeuwige leven, bewaard ook opdat de mensen zich niet afgestoten zouden voelen door de afstand en opdat ze het vermogen zouden behouden om Gods geboden te onderhouden en in zichzelf de levende hoop te bewaren die hun is opgelegd. Het mysterie van het kerkelijk leven en het geheim van de liefde in de Kerk zijn zowel ingehouden als overvloedig geopenbaarde dingen: dingen die zo openlijk geopenbaard zijn dat de heiligen in de hemel en de engelen ermee vervuld zijn en daardoor hebben zij deel aan het visioen van God. Want zij zien het Leven dat van God komt en zij mogen God hierin aanschouwen en bezitten. Het is bovendien overvloedig geopenbaard, omdat het de ultieme transparantie en helderheid van het eeuwige leven is. En overvloedig geopenbaard, omdat deze dingen onze zintuigen te boven gaan: we zullen het aanschouwen als we bevrijd zijn van alles wat ons belemmert en onze zintuigen vertroebelt, zodat het mysterie als stralend bewijs kan verschijnen.
Dat wat verborgen is in de Kerk, dat voorbehouden is aan de hemel, maar effectief naar de mensen op aarde toestroomt, blijft onbegrijpelijk. Maar ook deze onbegrijpelijkheid heeft een soort alomtegenwoordigheid. We kunnen een willekeurige kerk binnengaan en proberen met een scherpe blik te onthouden wat er te zien is: het gebouw, de indeling, de trappen naar het altaar, de gebeurtenissen die daar plaatsvinden, het uitdelen van het Heilig Sacrament en de bewegingen van de priesters, het komen en gaan in het koor en de menigte gelovigen die in gebed verzonken blijven en dan weer vertrekken, verrijkt door de momenten die ze hebben beleefd: alles wat we op deze manier zien heeft een onzichtbaar vervolg, alles betekent een aanzet tot een opgenomen worden in een verborgen werkelijkheid: zoals de gelovigen worden opgenomen in de ruimte van de Kerk en haar zichtbare handelingen, zo wordt ook de hele zichtbare Kerk opgenomen in een onzichtbare werkelijkheid die verondersteld, geloofd en vermoed wordt zonder in haar hele wezen en handelen begrepen te worden. Alles betekent veel meer dan we ons bewust kunnen zijn, zelfs in geloof. Deze grotere betekenis, deze herwaardering van alle kerkelijke dingen achter het omhulsel van het zichtbare, is een teken dat de kerk leeft daar waar God alleen is: dit gaat dieper dan wat we ons kunnen voorstellen, zelfs als we ons de ultieme, nog net mogelijke mogelijkheden kunnen voorstellen. Want de vreugden die de Heer uitstort, komen voort uit de vreugden die Hij bij zijn Hemelvaart ervoer. Het zijn de vreugden van de terugkeer naar de Vader en voor ons de vreugden van het visioen van Vader en Zoon en Heilige Geest. Het mysterie van de Kerk is er een van liefde en evenzeer van vreugde; en waar het als lijden verschijnt en zwaar weegt, is dit voor de aarde voorzien, ontworpen om nog meer weg te nemen van wat ons van God afhoudt. Wij, als individuen. En wij, de gemeenschap van heiligen. Voor iedereen voor wie het mysterie van de Kerk leeft.
Otros idiomas
Título
Idioma
Alemán
Alemán
Inglés
Español
Otros artículos de la misma etapa